Er gebeurt veel op het gebied van de wet- en regelgeving en kwaliteitszorg voor de Nederlandse archeologie. Sommige veranderingen roepen veel vragen op.
U vindt hier een antwoord op een aantal veelgestelde vragen.
Heeft u zelf een vraag?
Maakt u dan gebruik van het formulier onder de knop 'contact'.
Met de wijziging van de Monumentenwet 1988 zijn de mogelijkheden voor amateurs om zelfstandig opgravingen te verrichten niet veranderd. Wettelijk gezien heeft dit namelijk nooit gemogen. Op grond van artikel 45 van de Monumentenwet 1988 is het immers verboden opgravingen te verrichten zonder vergunning. Onder de oude wet konden opgravingsvergunningen alleen worden verleend aan rijksdiensten, instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en gemeenten. Nu kunnen ook bedrijven een opgravingsvergunning aanvragen.
Toch waren 'vrijetijdsarcheologen' vaak actief bij bodemverstorende ingrepen, zoals bouwwerkzaamheden en de aanleg van wegen, en bleef het niet bij toekijken. Er werden bijvoorbeeld sporen gedocumenteerd en vondsten geborgen. Vanuit de Monumentenwet 1988 moeten deze activiteiten meestal gekwalificeerd worden als opgravingen, omdat de definitie van opgraven luidt: 'het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of te onderzoeken van monumenten waardoor verstoring van de bodem optreedt' (artikel-1.h). Het is niet zo dat amateurarcheologen hun hobby niet mogen uitoefenen. Integendeel, er zijn twee situaties waarin amateurs kunnen opgraven.
In de eerste plaats mogen ze - net als vroeger - meewerken aan opgravingen die door of onder de verantwoordelijkheid van vergunninghouders worden uitgevoerd. Ten tweede kunnen amateurarcheologen onder bepaalde voorwaarden en met toestemming van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgravingen uitvoeren. De voorwaarden vindt u op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Certificering is een procedure volgens welke een onafhankelijke derde partij op basis van een beoordelingsrichtlijn (BRL) schriftelijk verklaart dat een product, proces of dienst voldoet aan bepaalde voorwaarden. In de laatste fase van de implementatie van de hernieuwde Monumentenwet 1988 is een verplichte certificering als voorwaarde voor het verlenen van een opgravingsvergunning vervallen en wordt de toetsing van bedrijven, gemeentes en universiteiten daartoe uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het systeem met certificering zal daarom in alle gevallen vrijwillig zijn.
Op dit moment is het nog niet mogelijk om een certificaat te krijgen voor de vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige protocollen van de KNA. De Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) is echter hard bezig de certificering te implementeren in het archeologische bestel. De Beoordelingsrichtlijn (BRL 4000) isopgestuurd naar de Raad voor Accreditatie (RvA). Naar verwachting zal de mogelijkheid tot vrijwillige certificering vóór mei 2008 een feit zijn. De SIKB beheert op de website tot op heden een lijst van vrijwillig erkende partijen die archeologische werkzaamheden uitvoeren die niet onder de vergunningplicht vallen. Dit geldt bijvoorbeeld voor partijen die specialistisch onderzoek uitvoeren en voor een aantal archeologische adviesbureaus. U laat met een certificaat zien dat uw bedrijf zich (ook) aan de niet-vergunningplichtige protocollen van de KNA houdt.
Nee, alleen bedrijven die houder zijn van een opgravingsvergunning en dus aantoonbaar bekwaam zijn tot het doen van opgravingen, mogen archeologische opgravingen verrichten. In het Besluit archeologische monumentenzorg zijn eisen en voorschriften geformuleerd waaraan een bedrijf of instelling verplicht moet voldoen om archeologische opgravingen conform artikel 45 van de Monumentenwet 1988 te mogen verrichten. De vergunning wordt in naam van de minister van Onderwijs, cultuur en Wetenschap verleent door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Meer informatie over de aanvraagprocedure vindt u op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Ook een gemeente die in eigen beheer opgravingen uitvoert, is verplicht binnen twee jaar na beëindiging van het veldwerk een standaardrapport te publiceren. Dit voorschrift is vastgelegd in artikel 46, lid 4 van de Monumentenwet 1988 en is bovendien terug te vinden in de aangepaste opgravingsvergunning van 2002. Hiermee is uw gemeente akkoord gegaan.
Een rapport moet vervolgens voldoen aan de eisen die de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) stelt. Een publieksgerichte publicatie is doorgaans géén vervanging voor het standaardrapport, omdat deze door de bank genomen niet aan de (wetenschappelijke) kwaliteitseisen voldoen. U moet uw wethouder er dus op wijzen dat de gemeente zich aan de monumentenwet en de vergunningsvoorschriften heeft te houden. Dat betekent dat als de gemeente besluit tot opgraven en daar budget voor beschikbaar stelt, dat dit budget dan ook betrekking heeft op de uitwerking van de opgraving. In uitzonderlijke gevallen kunt u de minister van OCW om ontheffing van dit voorschrift vragen.
De monumentenwet gaat uit van het principe dat 'de verstoorder betaalt'. De memorie van toelichting bij de wet stelt duidelijk dat de kosten voor de documentatie, de conservering, de overdracht van vondsten en de rapportage aan de initiatiefnemer worden toegerekend. Het is echter een politieke keuze geweest om de totstandkoming van afspraken over die betaling aan de marktpartijen over te laten. Indien U sluitende afspraken met uw opdrachtgever heeft gemaakt staan de geëigende, privaatrechtelijke wegen open om deze daar aan te houden.
Aangezien u als uitvoerder wettelijk verplicht bent een standaardrapport te publiceren (artikel 46, lid 4, van de herziene Monumentenwet 1988) is het ook in uw belang daar goede afspraken over te maken met de opdrachtgever. Wij raden uitvoerders van archeologische onderzoeken dan ook aan om in offertes duidelijk een post op te nemen voor de uitwerking van de opgraving en er zo nodig aanvullende afspraken over vast te laten leggen.
Wanneer door overmacht de rapportagetermijn onder druk komt te staan, dan dient u de vergunningverlener (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) hiervan voor het verstrijken van de rapportagetermijn in kennis te stellen, opdat de termijn eventueel verlengd kan worden.
Alle inspecteurs van de Erfgoedinspectie / Archeologie zijn aangewezen als toezichthouder op grond van artikel 63, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Hiervan is steeds mededeling gedaan in de staatscourant (1 maart 2002, 20 maart 2003 en 15 maart 2004).
Door deze aanwijzing hebben de inspecteurs de bevoegdheden verkregen die zijn vastgelegd in de AWB(Algemene wet bestuursrecht), hoofdstuk 5. Hierin is onder andere bepaald (artikel 5:15) dat "een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner" en verder: "zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm" en "hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen".
Naast deze algemene bevoegdheden van toezichthouders hebben de inspecteurs door hun aanwijzing ook bijzondere bevoegdheden op grond van de Monumentenwet 1988, waar in artikel 63 in aanvulling op de AWB is bepaald dat "de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner". Deze bevoegdheid gaat dus nog verder dan de bevoegdheden van politieambtenaren. Op het laatste is wel de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Het is niet zo dat de Erfgoedinspectie als archeologische instantie over deze bevoegdheden beschikt; de bevoegdheden zijn persoonsgebonden. Verder moge duidelijk zijn, dat de genoemde bevoegdheden alleen gelden binnen de uitvoering van de taken als toezichthouder (dat wil zeggen, bij het nalevingstoezicht) en niet bij de taken als inspecteur van de Erfgoedinspectie, welke laatste taken veel ruimer zijn geformuleerd (onder andere ook signalerend toezicht).
Afgezien van de bovengenoemde inspecteurs zijn er geen andere personen aangewezen als toezichthouder op grond van de Monumentenwet 1988. Met het oog op het laatste bestaat er volledige overeenstemming met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over de rolverdeling tussen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Erfgoedinspectie. Alleen de Erfgoedinspectie is belast met het nalevingstoezicht. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bezoekt wel opgravingen, maar doet dit vanuit haar taken als kenniscentrum.
Helaas beseffen veel archeologische bedrijven onvoldoende dat hun inventariserend onderzoek nutteloos is wanneer de resultaten niet op tijd beschikbaar zijn. Als overleg met het bedrijf niets oplevert, kunt u eventueel de Erfgoedinspectie inschakelen. Wij doen niet aan conflictbemiddeling tussen opdrachtgevers of het bevoegde overheid en uitvoerders, maar kunnen wel onderzoeken of de voorschriften voor de opgravingsvergunning worden nageleefd. Wanneer de bevindingen negatief uitvallen, kan de inspectie de uitvoerder aanspreken op diens verplichtingen. In het uiterste geval zal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden geadviseerd om de opgravingsvergunning van het bedrijf in te trekken.
Overigens heeft u zelf als opdrachtgever veel invloed op de verschijningsdatum van het archeologisch rapport. Zo kunt u eisen dat in de leveringsvoorwaarden en in het Programma van Eisen voor het onderzoek wordt opgenomen wanneer het bedrijf het rapport uiterlijk moet leveren. Verder kunt u overeenkomen dat het laatste deel van de betaling pas plaatsvindt nadat het rapport is verschenen. Dit geldt overigens ook voor opgravingen: onderzoek dat in de kast blijft liggen, dient de wetenschap niet. Daarom is nu bij wet vastgelegd dat de maximale levertijd voor rapporten twee jaar is.
Ja. In principe onderzoekt de Erfgoedinspectie iedere melding of klacht die zij ontvangt. U kunt uw klacht telefonisch, per e-mail of via een digitaal formulier bij ons melden. De procedure voor behandeling van meldingen vindt u hieronder.
Het is niet verboden om met een metaaldetector rond te lopen op openbare plaatsen. In alle andere gevallen moet de eigenaar van het terrein toestemming geven tot betreding. Het zonder vergunning graven naar archeologische vondsten of sporen is overal verboden. De Erfgoedinspectie heeft echter geen bevoegdheid om zelf bij deze overtreding in te grijpen.
Illegale opgravingen door particulieren zijn een zaak van de politie. U kunt hiervan zelf aangifte doen.
Volgens de voorschriften voor een opgravingsvergunning is een Programma van Eisen (PvE) verplicht bij de uitvoering van archeologische werkzaamheden waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een opgraving en een proefsleuvenonderzoek. De Erfgoedinspectie controleert dan ook bij inspecties of een PvE aanwezig is. Overigens vraagt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) ook voor andere archeologische werkzaamheden om een PvE, maar hier rust geen wettelijke verplichting op.
Wanneer u zonder PvE offerte uitbrengt, bent u niet in overtreding. U loopt wel grote risico's. Als niet duidelijk is aan welke eisen u moet voldoen, kunt u vermoedelijk geen passende offerte maken. Als tijdens het veldwerk dan meer archeologisch materiaal wordt gevonden of meer werk moet worden verricht dan u heeft voorzien, kan dat uw bedrijf veel geld kosten. Uw opdrachtgever kan u er aan houden om alle werkzaamheden uit te voeren voor het door u geoffreerde bedrag.
Wij adviseren u de offerte-aanvrager schriftelijk te verzoeken alsnog een PvE aan te leveren. Als dit wordt geweigerd, kunt u de Erfgoedinspectie hiervan op de hoogte stellen. De meldingenprocedure vindt u op deze website.
Volgens de voorschriften voor een opgravingsvergunning is een Programma van Eisen (PvE) verplicht bij de uitvoering van archeologische werkzaamheden waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een opgraving en een proefsleuvenonderzoek. De Erfgoedinspectie controleert dan ook bij inspecties of een PvE aanwezig is. Overigens vraagt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) ook voor andere archeologische werkzaamheden om een PvE, maar hier rust geen wettelijke verplichting op.
Wanneer u zonder PvE offerte uitbrengt, bent u niet in overtreding. U loopt wel grote risico's. Als niet duidelijk is aan welke eisen u moet voldoen, kunt u vermoedelijk geen passende offerte maken. Als tijdens het veldwerk dan meer archeologisch materiaal wordt gevonden of meer werk moet worden verricht dan u heeft voorzien, kan dat uw bedrijf veel geld kosten. Uw opdrachtgever kan u er aan houden om alle werkzaamheden uit te voeren voor het door u geoffreerde bedrag.
Wij adviseren u de offerte-aanvrager schriftelijk te verzoeken alsnog een PvE aan te leveren. Als dit wordt geweigerd, kunt u de Erfgoedinspectie hiervan op de hoogte stellen. De meldingenprocedure (Dit PDF bestand kunt u openen met Adobe Acrobat Reader) vindt u op deze website.
Tot januari 2007 maakte de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) een onderscheid tussen de archeologische handelingen die verricht mochten worden bij een archeologische begeleiding en die bij een opgraving. Het belangrijkste verschil was dat bij een archeologische begeleiding niet opgegraven mocht worden. Met de invoering van de versie 3.1 van KNA is aan dat onderscheid een einde gekomen. Voor een archeologische begeleiding moeten nu de protocollen voor proefsleuven of opgravingen worden gevolgd, compleet met alle daarin beschreven processtappen. Dit houdt in dat het couperen van sporen nu dus zelfs tot de standaardwerkzaamheden behoort, tenzij er een uitzondering in het verplichte programma van eisen is voorgeschreven en gemotiveerd.
Het feit dat er nu graafwerkzaamheden mogen worden verricht bij een archeologische begeleiding houdt in dat u onder een opgravingsvergunning moet werken en dat er eisen zijn verbonden aan de opleiding van degenen die de begeleiding uitvoeren. Indien het PvE van een archeologische begeleiding specifiek voorschrijft dat activiteiten beperkt blijven tot waarnemen, documenteren en het bergen van vondsten (en er dus niet opgegraven wordt) dan vervalt de noodzaak om te werken onder een opgravingsvergunning.
Nee, een archeoloog die werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) 3.1 mag geen rekening houden met niet-archeologische beleidskeuzes of prioriteiten: die afweging valt buiten zijn professionele verantwoordelijkheid en is voorbehouden aan de gemeente zelf. De norm stelt dat in het geval van een behoudenswaardige vindplaats gekozen moet worden voor een opgraving. Een archeologische begeleiding (waarbij per definitie niet een archeologische uitvoerder maar een civiele uitvoerder de regie over het grondverzet in handen heeft) mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegepast.
Deze uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij men het zekere voor het onzekere bij niet-behoudenswaardige vindplaatsen wil nemen, of waarbij sprake is van bijzondere onderzoeksvragen. Wanneer de waarde van het terrein reeds uit vooronderzoek bekend is, is een archeologische begeleiding dus niet de juiste methode om de archeologische resten veilig te stellen. Voorkomen moet worden dat situaties ontstaan waarbij de uitvoerder met volstrekt inadequate middelen op onverantwoorde wijze moet opgraven die indruisen tegen elke archeologische ethiek.
Er zijn ook situaties waarin er al opgravingen hebben plaatsgevonden of beschermingsmaatregelen zijn getroffen en de begeleiding wordt ingezet als extra controle in de daaropvolgende bouwfase. In feite betreft dit een na-traject waarvoor de KNA geen aparte processen voorschrijft. In deze situatie moet de begeleiding vormgegeven worden als een opgraving en zijn de daarvoor opgestelde regels van toepassing. Eventueel kan het programma van eisen daaraan wel beperkingen opleggen, bijvoorbeeld qua omvang, detaillering of te verrichten handelingen.
Het al of niet opvolgen van een selectieadvies is een beleidsmatige afweging die aan de overheid wordt overgelaten. Deze beslissing mag dus niet worden genomen door de opsteller van het advies. Als uw gemeente een negatief selectiebesluit neemt in het kader van een bestemmingsplan, zal de provincie dit besluit wel nog aan het streekplan toetsten. Hiervoor wordt de Provinciaal Archeoloog ingeschakeld.
Bij het nemen van het beleidsbesluit moet de beslisser ervan uit kunnen gaan dat de kwaliteit van het archeologisch selectieadvies gewaarborgd is. Dit betekent dat het selectieadvies moet zijn opgesteld (en gecontroleerd) door een senior archeoloog. Een ander uitgangspunt is dat het vooronderzoek, waar het archeologische selectieadvies op gebaseerd is, volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is verlopen.
Dat wil zeggen dat er in het geval van gravend onderzoek een Programma van Eisen (PvE) moet zijn geweest. Een booronderzoek moet gebaseerd zijn geweest op een Plan van Aanpak (PvA). Een PvE moet bovendien goedgekeurd zijn door het bevoegd of betrokken gezag. Wanneer de opsteller van het PvE ook de uitvoerder is, moet het plan beoordeeld worden door een onafhankelijke senior archeoloog. Dit kan een archeoloog zijn die aan uw gemeente verbonden is, een archeoloog die werkzaam is bij de provincie of het rijk of een senior archeoloog bij een andere instelling dan de opsteller/uitvoerder.
De term 'bevoegde overheid' (voorheen bevoegd gezag) verwijst volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) naar de overheid (gemeente, provincie, rijk) die het selectiebesluit neemt en die Programma's van Eisen (PvE's) voor archeologische werkzaamheden opstelt of laat opstellen en goedkeurt.
Onder de huidige wetgeving zijn de taken van de 'bevoegde overheid' zoals die in de KNA omschreven staan niet vastgelegd. In het geval dat een gemeente over een eigen gemeente-archeoloog beschikt kan deze verantwoordelijk zijn voor het selectiebesluit en de opstelling en goedkeuring van PvE's. Voor wettelijk beschermde monumenten treedt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op als bevoegde overheid, namens de minister van OCW.
Gemeenten zonder gemeente-archeoloog en provincies mogen natuurlijk wel de rol van bevoegde overheid op zich nemen voor het nemen van een selectiebesluit en het laten opstellen en goedkeuren van een PvE. Een lagere overheid kan immers een (selectie)besluit nemen voor de archeologie in het eigen grondgebied en daaraan voorwaarden verbinden. Dat kan in het kader van haar wettelijke taken of op basis van een speciale archeologieverordening. Daarbij is het wel van belang dat deze overheid een eigen archeologiebeleid voert, zich bij de besluitvorming baseert op adequaat uitgevoerd vooronderzoek en zich laat adviseren door een daartoe gekwalificeerd archeoloog. Dit is overeenkomstig de richtlijnen van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG brengt medio januari 2008 een Handreiking Archeologie voor Gemeenten uit.
De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is digitaal beschikbaar op de website van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) (zie onder 'KNA'). Bovendien kunt u de KNA in schriftelijke vorm bij hen opvragen.
Adresgegevens: Postbus 420, 2800 AK Gouda, telefoon 0182 54 06 75 (06-513 950 37).
Er zijn inderdaad argumenten voor de opvatting dat documentatie in het gemeentelijke of provinciale depot beschouwd moet worden als overheidsarchief. Maar omdat de Monumentenwet specifiek de opgravingsdocumentatie noemt en voorschrijft wat er mee moet gebeuren stelt de Erfgoedinspectie zich op het standpunt dat de Monumentenwet in dit geval leidend kan zijn. Dat betekent dat vondsten en opgravingsdocumentatie niet van elkaar gescheiden mogen worden, en dat de documentatie blijvend bewaard moet worden.
Overigens is een selectielijst niets anders dan een document waarin vastgelegd wordt hoe lang archiefbescheiden bewaard zullen worden. Een selectielijst kan dus ook de vermelding bevatten dat alle opgravingsdocumentatie die de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie voorschrijft, blijvend bewaard zal worden.
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Erfgoedinspectie hebben eind juni 2011 gezamenlijk richtlijnen doen uitgaan hoe deze verplichting moet worden ingevuld. Kern van de notitie betreft de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder voor het actueel houden van het organisatieplan.